De renovatieplicht treedt in werking in verschillende situaties waarin een onroerend goed wordt overgedragen in volle eigendom.
Zowel residentiële gebouwen, zoals woningen en appartementen, als niet-residentiële gebouwen, zoals bedrijfsmatig vastgoed of ziekenhuizen, vallen onder de renovatieplicht.
Recent werd door het kabinet bevestigd dat de renovatieplicht wél geldt als het onroerend goed in volle eigendom overgaat van de vennootschap naar (een) aandeelhouder(s).
Bepaalde gebouwen zoals industriële gebouwen, werkplaatsen en opslagplaatsen voor niet-industrie worden hiervan opnieuw uitgezonderd.
De EPC-plicht voor niet-residentiële gebouwen, de zogenaamde EPC NR, geldt voor alle gebouweenheden die als hoofdbestemming “niet-residentieel” hebben.
Denk daarbij aan kantoren, sportcentra, horeca, enz.
Woon-, industrie- en landbouwgebouwen zijn hiervan vrijgesteld.
Voor grote niet-residentiële gebouwen en gebouweenheden geldt dat: Vanaf 1 januari 2025 elk(e) gebouw(eenheid) met een bruikbare vloeroppervlakte ≥1000 m² over een EPC NR moet beschikken, los van het feit of een overdracht of verhuur tot stand komt.
Vanaf 1 januari 2026 elk(e) gebouw(eenheid) met een bruikbare vloeroppervlakte ≥ 500 m² eveneens over een EPC NR moet beschikken.
Vanaf 1 januari 2030 alle gebouwen minimum EPC-label E moeten behalen.
Voor kleine niet-residentiële gebouwen en gebouweenheden geldt binnenkort een minimale labelplicht:
Vanaf 1 januari 2030 is dat label E bij open of halfopen bebouwing en label D voor gesloten bebouwing of wanneer er meerdere eenheden in één gebouw zijn.
Bovendien moet elke kleine niet-residentiële gebouweenheid vanaf dan over een EPC NR beschikken, los van het feit of een overdracht tot stand komt.
Vanaf 1 januari 2035 is dat label D bij open of halfopen bebouwing en label C voor gesloten bebouwing of wanneer er meerdere eenheden in één gebouw zijn.
Vanaf 1 januari 2040 is dat voor alle gebouwen label C.